Lijst met golf begrippen

Deze lijst met golf begrippen helpt je om de terminologie van de sport onder de knie te krijgen. Hij is aardig lang met maar eens liefst 200 golf begrippen, dus Control+F er vooral doorheen als je op zoek bent naar een specifiek begrip. Of wanneer je er eens op je gemakt door heen wilt scrollen, hij staat op alfabetische volgorde. Ga naar onze kennisbunker voor meer diepgang in deze lijst met golf begrippen of klik op de begrippen die we ook behandelt hebben op onze Instagram-Pagina. We wensen je veel golfwijsheid!

  1. Adresseren – Dit doe je ten opzichte van de bal. Het betekent dat je een houding inneemt en jezelf positioneert zodat je goed staat om de bal te kunnen slaan.
  2. Afslagplaats – De plaats waar je begint en waar je mag afslaan. Dit gebeurt normaal gesproken vanaf een tee.
  3. Airshot – Dit telt als een slag, maar je hebt er niks aan. Dit betekent namelijk dat je wel slaat, maar de bal niet raakt. De slaande beweging telt voor één slag.
  4. Albatros – Je speelt een albatros wanneer je een hole in drie slagen onder par weet af te ronden.
  5. Approach – Wanneer je richting de green slaat, je “approacht” in feite de vlag.
  6. Apron – Het gras voor en rondom de green, wat erg kort gemaaid is. Gemiddeld is het gras daar 10 tot 12 millimeter hoog en een aantal meters breed uitgelegd.
  7. Baan – Het gebied/terrein waar je op loopt tijdens het golfen.
  8. Baanrecord – De best behaalde score, in andere woorden de laagste notering, bij een golfbaan. Eeuwige roem is op zijn plaats als je dit hebt behaalt.
  9. Back Nine – Op een baan van 18 holes zijn dit holes 10 tot en met 18.
  10. Backspin – Het meegeven van een effect tijdens het slaan van de bal, waardoor de bal bij de landen sneller stopt of zelfs enigszins terug te rollen richting de slagplek.
  11. Back tee – De achterste afslag plaats bij een hole waar de professionals en hele goede amateurs vanaf slaan.
  12. Backstand – Een standaard die er voor zorgt dat een draagtas kan blijven staan, is meestal los.
  13. Backswing: Het gedeelte van de swing die zich van de bal af beweegt.
  14. Baffle – Vroeger was dit de benaming voor een houten 5.
  15. Bal – Een golfbal, duh. Golfballen bedrukkenEigenlijk ballen drukken?
  16. Balata – De buitenkant waarvan een golfbal wordt gemaakt, noemt men de balata. Het materiaal van de balata is zacht wat zorgt voor extra effect. Professionals spelen graag met balata. Risico is dat het zachte materiaal snel beschadigd.
  17. Balhengel – Een uitschuifbare stuk om de ballen die je in het water hebt geslagen mee eruit te kunnen vissen.
  18. Balinslag – Het resultaat van een mooie slag op de green is soms een kleine deuk in het gras. Deze moet je verplicht weer egaliseren, wat je doet met een pitchfork. Andere namen hiervoor zijn ball mark of pitch mark.
  19. Bal in spel – Dit zegt het al, zodra de bal in het spel is. Zo wordt het genoemd wanneer de bal is afgeslagen, tot aan de put. Je moet dit uitspelen met dezelfde bal, behalve wanneer je volgens de regels een andere bal mag pakken indien nodig.
  20. Ball marker – Soms lig je op de green op vergelijkbare hoogte met de bal van iemand anders wat het lastig maakt om te putten zonder je tegenstanders bal te raken. Deze mag je dan markeren, bijvoorbeeld met een muntje of een fiche, en optillen zodat je kunt putten.
  21. Ball spotter – Iemand die voor jou kijkt waar je bal landt nadat je hebt een drive geslagen. De ball spotter staat twee- tot driehonderd vóór jou op de baan.
  22. Bestball – Wanneer je speelt met de afgesproken regel dat alleen de beste bal van twee of drie spelers telt.
  23. Birdie – Een hole uitspelen met een slag onder par.
  24. Blind hole – Hierbij kan je de hole/vlag nog niet zien vanaf de tee, bijvoorbeeld in een dog-leg.
  25. Bogey – Een hole die in één slag boven par gespeeld wordt.
  26. Bruto score – Het totaal aantal geslagen slagen gedurende een strokeplay wedstrijd waarbij iemands handicap buiten beschouwen wordt gelaten.
  27. Buiten de baan – Hetzelfde als Out-of-Bounds, maar dan op zijn Hollands.
  28. Bunker – Een grote plek zand in een hole die jou als hindernis in de weg ligt. Probeer hier altijd omheen te spelen. Wanneer je hier toch in belandt, speel dan met je S Wedge.
  29. Caddie – De persoon die we allemaal willen, iemand die je spullen draagt en de je ook op andere wijze assisteert volgens de Regels.
  30. Caddie boekje – Een boekje met een plattegrond van elke hole van de baan, waarop alle afstanden staan genoteerd, zodat het afstand schatten veel eenvoudiger wordt.
  31. Caddiemaster – Vroeger was dit de baas van de caddies, maar tegenwoordig is het de naam van de persoon die de (gast)spelers ontvangt en waar spelers een starttijd kunnen bespreken.
  32. Chip – Een korte slag die veelal wordt gebruikt om op de green te komen. Het doel is vaak om mooi uit te rollen.
  33. Chipping green – Oefengreen om je chip te oefenen.
  34. Clinic – Een soort van golfles om de sport te leren kennen, vaak ga je dan putten, chippen, driving range en als de tijd het toelaat een paar holes spelen op de oefenbaan.
  35. Clubface – Het slagvlak van het clubblad.
  36. Clubhuis – Het gebouw wat hoort bij de golfbaan waar je je dient aan te melden en waar je achteraf vaak nog een goede borrel kunt drinken.
  37. Club – Vroeger werd het een golfstok genoemd, omdat de steel van hout werd gemaakt. Simpel gezegd zijn dit de stokken, of voor de hockeyers onder ons de stick, waarmee je de golfbal slaat. Je gebruikt verschillende clubs voor verschillende afstanden.
  38. Commissie – De mensen in een groep die zich bezig houden met de leiding van een wedstrijd of bestuur van de baan.
  39. Course management – Bij het spelen van een golfbaan rekening houden met alle makkelijke en moeilijke punten zodat de bal niet in hindernissen terechtkomt.
  40. Course rating – Geeft middels cijfers aan hoe moeilijk een baan is.
  41. Cut line – De lijn waarop gebaseerd wordt welke spelers wel of niet doorgaan in een toernooi. Wanneer je “do not make the cut”, dan val je dus af.
  42. Dimple pattern – Het patroon van de stipjes/gaatjes op de golfbal.
  43. Dimples – De deukjes in een golfbal, wat er maximaal 500 zijn in het oppervlak van een golfbal. Deze ballen bepalen middels aerodynamica de vlucht van een bal in de lucht.
  44. Distance marker – Bijvoorbeeld een steen of een paal die aangeeft hoe ver het nog is naar de vlag. Dit helpt je met het kiezen van de juiste club voor een bepaalde afstand.
  45. Ditch – Een hindernis in de vorm van een greppel
  46. Divot – Een grasplag die je uit de grond slaat tijdens je slag. Gelieve deze altijd terug te leggen.
  47. Dogleg – Dit zijn holes met een dusdanige bocht erin dat de vorm ervan lijkt op een dogleg.
  48. Door de baan: Engels – Het gehele gebied van de baan, behalve de afslagplaats, de green van de hole die gespeeld wordt en alle hindernissen.
  49. Doorlaten – Wanneer je de golfende groep achter je doorlaat omdat je bijvoorbeeld een bal aan het zoeken bent.
  50. Dormie – Stand in een matchplay-wedstrijd waarbij de achterstaande speler verder alle holes moet winnen om nog gelijk te eindigen.
  51. Double bogey – Twee slagen boven par op een hole
  52. Downhill lie – Wanneer je de bal op een heuveltje moet slaan waarbij je voeten hoger staan dan de ligplaats van de bal.
  53. Draw – Als je dit kan, dan kan je golfen. Dit is het bewust met effect spelen naar links om bijvoorbeeld een groep bomen heen of in een dogleg.
  54. Driebal – Een groep van drie spelers die tegelijk spelen.
  55. Drive – Wanneer je de eerste slag op een hole slaat met een driver
  56. Driver – Ook wel bekend als de Big Bertha, het grootste “slaghout” uit je golftas. Zal je gebruiken wanneer je zo ver mogelijk wilt slaan. De loft is 9 – 11 graden.
  57. Drivingrange – Een drivingrange is een oefenterrein voor golfspelers.
  58. Droppen – Het opnieuw in het spel brengen van de bal door die vanaf kniehoogte (nieuwe regel vanaf 2019) te laten vallen. Dit mag, afhankelijk van de omstandigheden, volgens de regels. Soms kost het een strafslag.
  59. Eagle – Je slaat een eagle wanneer twee slagen onder par je hole speelt.
  60. Eclectic (golf) – Wedstrijdvorm, waarbij van tevoren wordt bepaald hoeveel keer een bepaald aantal holes worden gespeeld. De laagste score van een hole telt voor het eindresultaat. Vaak een evenement dat meerdere dagen duurt, zodat veel spelers kunnen meedoen. Voorbeeld : men speelt 6x de holes 1,14 en 17.
  61. Eer – Dat betekent dat je als eerste af mag slaan, omdat je op de hole ervoor de laagste en tevens beste score had.
  62. Eilandgreen – Green in de vorm van een (schier)eiland, bijna volledig omgeven door water, op een toegangskant of smal paadje na.
  63. Embedded ball – Wanneer de bal bijna niet meer zichtbaar is omdat deze tijdens zijn val ingegraven is geraakt. In de baan of in de green mag je de bal oppakken en droppen. In een bunker heet deze ligging een spiegelei en moet er gespeeld worden zoals de bal ligt.
  64. Etiquette – Gedragsnormen of -regels die gelden wanneer je gaat golfen. Overtreding van deze regels levert geen strafslagen op. Men kan wél gediskwalificeerd worden wegens wangedrag.
  65. Exemption – Hierbij mag je deelnemen aan een toernooi zonder dat je hiervoor gekwalificeerd bent
  66. Extra holes – Vaak ook wel “play-off” of “sudden death” genoemd. Wordt gespeeld wanneer de stand gelijk is, en je loopt nog een aantal extra holes door om de winnaar aan te kunnen wijzen.
  67. Fairway – Het stuk in de baan tussen de afslagplaats en de hole. Altijd mooi kort gemaaid.
  68. Fat shot – Wanneer je in de grond slaat voordat je de bal raakt.
  69. Fade – Eigenlijk is dit een bewuste slice, een balvlucht met een (kleine) curve naar rechts. Dit is het tegenovergestelde van een draw.
  70. Fairway – Het gedeelte van de baan tussen de afslagplaats en de green. Vrij kort gemaaid om de bal een goede ligging te bezorgen.
  71. Fairway bunker – Een bunker, die in de fairway ligt. Kan naast de green liggen dan heet het een “green-side bunker” of in de fairway zijn, dan heet het een “fairway bunker “.
  72. Fairway wood – Een hout met wat minder loft dan de driver en daarom kan je er goed mee in de baan slaan.
  73. Feather ball – Een geschiedenislesje: de golfbal zoals die van 1620 tot het midden van de 19e eeuw werd gebruikt. Een pan vol met veren werd gekookt en die veren werden nat in een leren omhulsel geperst. Na het dicht stikken droogden de veren op en werd de bal keihard.
  74. Flight – Zo heet de groep waarmee je gaat golfen, dit kan van twee tot vier personen zijn.
  75. Flop shot – Is geen geflopt schot, maar een schot waarbij de bal zo hoog mogelijk over een obstakel wordt gespeeld. Professionals creëren hierbij vaak back-spin.
  76. Fluffy lie – Een bal die bovenop langer gras komt te liggen. De kunst is hierbij om onder de bal te slaan, want als je hem te hoog raakt vertrekt de bal te vlak.
  77. Follow through – Het gedeelte van de swing nadat de bal is geraakt.
  78. FORE – Flying Object Returnig Earth – Is wat je als een malle moet roepen wanneer je de bal niet raakt zoals gehoopt en als gevolg de bal richting andere mensen slaat.
  79. Forecaddie – Extra caddie die vooruitloopt om te zien waar de bal terechtkomt. Dit kan nodig zijn bij mist of bij blinde tee-shots. Tegenwoordig mag een speler niet meer dan één caddie hebben, deze mag uiteraard vooruit lopen om de bal te zien neerkomen. Bij wedstrijden worden vaak spotters ingezet.
  80. Four-ball – Een wedstrijd tussen de besten van twee teams
  81. Foregreen – Vrij vertaal de voorgreen, dus het al wat kortere gras rondom een green.
  82. Foursome – Wedstrijd waarbij twee spelers spelen tegen twee andere spelers, elke kant met één bal, die om de beurt geslagen wordt.
  83. Freedrop – Dan mag je de bal droppen zonder dat er een strafslag geteld hoeft te worden.
  84. Front Nine – De eerste holes, holes 1 tot en met 9 op een 18 holes baan.
  85. Gapwedge – Een golfclub met een grote loft (tussen Sand Wedge en lobwedge in) waarmee de bal over korte afstand hoog door de lucht kan worden gespeeld.
  86. Geplugged – Zo noem je een golfbal die geheel of gedeeltelijk ligt begraven.
  87. Gesloten clubblad – Het clubblad staat (bij adresseren en impact) niet haaks op het doel maar wijst naar links.
  88. Gimmie – “Die mag je hebben” is een uitspraak die je gebruikt wanneer iemand zo dicht bij de hole ligt, dat je de ander de bal op laat rapen omdat je verwacht dat het een niet te missen kans is.
  89. GIR – Green In Regulation – Vaak als percentage aangegeven voor het succesvolle aantal reguliere schoten naar de green, die ook op de green eindigen. (1ste schot op een par 3, 2de op een par 4 of 3de op een par 5)
  90. GOLF.nl – De website voor golf in Nederland. De app van deze site kan je tegenwoordig gebruiken als GVB. Hierop staat je handicap geregistreerd en hierop kan je je scorekaarten laten goedkeuren.
  91. Golfgasten.nl – De absolute koningen van de golfsport die golf toegankelijk maken voor een hele nieuwe generatie. #SwingAlong.
  92. Green of putting green – Meest kort gemaaide gras van een hole waarop de vlag staat met de hole waarin je mag putten om je score voor deze hole te bepalen.
  93. Greenfee – Het bedrag wat je betaalt om een aantal holes te mogen lopen.
  94. Greenkeeper – De eindverantwoordelijke voor het onderhoud van de golfbaan.
  95. Groove – Gleuven op je clubblad. Ze helpen de bal omhoog te gaan en creëren backspin.
  96. Grounden – Wanneer je je club op de grond legt gedurende het adresseren. In een hindernis mag men niet “grounden”.
  97. GUR – Ground Under Repair – Elk deel van een golfbaan die door de terreincommissie is aangewezen als GUR en als zodanig is gemarkeerd, dit gebied mag vrij ontweken worden, vaak is bepaald dat daaruit niet gespeeld mag worden. GUR wordt veelal aangegeven door blauwe paaltjes.
  98. GVB – Golf Vaardigheids Bewijs – Heb je nog om op bepaalde banen te mogen spelen. Hiervoor moet je een theorie- en praktijkexamen afnemen, om aan te kunnen tonen dat je de sport kent en begrijpt, kunt spelen en je lid ben van een vereniging.
  99. Halved – Wanneer twee spelers dezelfde nettoscore hebben gehaald op dezelfde hole
  100. Handicap – Hetgene waarmee je kunt opscheppen in het clubhuis. Een score op basis van cijfers die je niveau van golfen aangeeft. Hoe lager je handicap, hoe minder slagen je erover hoeft te doen per hole. Dus hoe lager je handicap, hoe beter je bent.
  101. Handschoen – Trek je aan met golfen om meer grip te krijgen op je club. Rechtshandigen dragen de golfhandschoen links en andersom.
  102. Headcover – In de volksmond ook wel bekend als “sokken” die je over je driver of houten golfclubs heen doet.
  103. Hindernis – Obstakels in de baan zoals water of bunkers.
  104. Hole: Het gat in de grond waar de bal uiteindelijk in moet. Diameter is 4,25 inch = 10,8 cm en minstens 4 inches diep = 10,2 cm. Maar ook de naam van het stuk golfbaan van tee tot en met green. Een standaard golfbaan bestaat uit 9 of 18 holes.
  105. Hole-in-one – Wanneer je de bal direct vanaf de afslagplaats in de hole weet te slaan.
  106. Hole uitgespeeld – Wanneer je de hele hole doorlopen hebt en vervolgens de laatste putt gespeeld hebt.
  107. Hook – Een balvlucht die afwijkt naar links, dit is vaak per ongeluk. Kan je dit bewust, dan noem je het een draw.
  108. Hooters tour – De ” National Golf Association Pro Golf Tour” is een professionele golftour in de USA voor mannen.
  109. Horn – Een stukje van de horens van een ram wat vooraan in de zool van de houten golf club werd geplakt om die zool te beschermen tegen beschadigingen.
  110. Horseshoe – Een putt die de hole lipt, niet valt, 180 graden draait en weer naar de speler toe rolt.
  111. Hosel rocket – Als de bal zo wordt geraakt, gaat deze extreem naar rechts en blijft heel laag. Nachtmerrie van elke golfer.
  112. Hosel – Het overgangsstuk tussen de shaft en het clubblad.
  113. Houten – De golfclubs die je moet gebruiken voor lange slagen. De kop ervan was vroeger gemaakt van hout, maar tegenwoordig niet meer.
  114. Hummock -Een bult of een heuvel welke een natuurlijk obstakel vormt.
  115. Hunched – Iemand met een slechte houding is “hunched”, wat betekent dat de houding van deze speler voor een slag incorrect is.
  116. Hustler – Een golfer die van een weddenschap houdt en tegenstanders uitzoekt omdat hij weet dat hij van ze kan winnen. Ook iemand die een hoge handicap aanhoudt om zo een wedstrijd te winnen. In Nederland noemen we zo iemand “een duikboot”.
  117. Hybride – Een “soepelere” houten die sinds 2006 gekocht kan worden.
  118. Iffy – Nadat een slechte slag is geslagen en waar de bal is terechtgekomen is nog onduidelijk, dan is de situatie “iffy”.
  119. IJzer 1 – lange stok met een ijzeren kop (hellingshoek 15-17 graden) om lange afstanden mee te slaan. 200 meter of meer voor lage, mannelijke handicappers. Ook wel “driving iron” genoemd. Je hebt meerdere ijzeren, de meesten beginnen bij 3 en gaan daarmee door t/m 9. Hoe hoger de ijzeren, hoe korter de afstand is dat je ermee slaat.
  120. IJzer 7 – De meest algemene club zegt men en daardoor het fijnste om mee te slaan.
  121. Impact – Het moment van raken van de bal.
  122. In play – Betekent simpelweg “in spel” zodra een speler een slag heeft gedaan op de afslagplaats. Hij blijft in spel totdat hij is uitgeholed.
  123. Interlocking – Hoe houd je je golfclub vast? Nou zo: de rechter pink steekt tussen de linker wijs- en middelvinger door.
  124. In the hunt – Elke speler is “in the hunt” wanneer hij goede kans heeft het toernooi te winnen of op de laatste dag de leider dicht op de hielen zit.
  125. In the money – Wanneer je op een toernooi zo ver bent gekomen dat je meedoet voor het prijzengeld.
  126. Invitational – Een toernooi waaraan de spelers enkel op uitnodiging mogen meedoen.
  127. Kanten – Spelers die als team spelen en dus elkaars partner zijn.
  128. NGF: Koninklijke Nederlandse Golf Federatie.
  129. Lateraal water – Waterhindernis die met de speelrichting van de hole meeloopt en wordt gemarkeerd met rode paaltjes of een rode verflijn op de grond.
  130. Leaderbord – De scoreborden, je zult deze met name vinden bij professionele wedstrijden.
  131. Leary – Bij sommige wedstrijden wordt een speciale prijs uitgeloofd voor het behalen van de Leary, dat wil zeggen de bal die het dichtste bij de vlag terecht is gekomen na twee slagen. Het maakt niet uit of de bal op de green ligt of daarbuiten.
  132. Level par – Wanneer je score nog gelijk loopt aan de par score van de baan.
  133. Lezen van de green – Wanneer je gaat putten kan het geen kwaad om de baan te lezen, wat betekent dat je om je golfbal heen gaat lopen op de green om in te schatten hoe de bal gaat rollen als gevolg van hellingen en slagkracht.
  134. Lip (hole) – De rand van de hole, die bijvoorbeeld kan beschermen dat een bal niet het water in rolt.
  135. Lobwedge – Club met de hoogste loft (meestal 60-62 graden), om de bal kort en hoog te spelen.
  136. Loft – Aantal graden dat het clubblad gedraaid is van het midden van de shaft.
  137. Long iron – Een ijzer, club, iron (met weinig loft) voor een ver schot. Tot de lange ijzers worden meestal ijzer, 4, 3, 2 en 1 gerekend.
  138. Lop shot – Denk hierbij aan “een lopje”. Een hoog schot over geringe afstand die na de landing slechts weinig doorrolt.
  139. Lost bal, lost hole – Een oude regel tijdens het golfen dat wanneer je je bal kwijt bent, je eigenlijk de hole hebt verloren.
  140. Major championship – De vier grootste en belangrijkste toernooien van het jaar: de Majors. Dat zijn de British Open (door de Engelsen altijd ” the Open” genoemd, de US Open, de US PGA en The Masters (altijd op Augusta National).
  141. Marker – Of de persoon die de score van de speler bijhoudt, meestal de medespeler (bij strokeplay) maar niet (bij matchplay), maar er kan ook speciaal een marker met iemand meegestuurd worden; maar ook een klein, meestal plat en rond, voorwerp om de balpositie te markeren als die tijdelijk opgeraapt mag worden. Dit mag altijd op de green, en soms in de baan.
  142. Marshal – Gastheer/Gastvrouw en eindverantwoordelijke van de golfbaan.
  143. Matchplay – Wedstrijdvorm waarbij twee spelers (of twee duo’s) tegen elkaar, hole per hole spelen; wie het minste slagen op een hole nodig heeft, wint die hole. Wie één hole meer gewonnen heeft dan de tegenstander is “one up” enz. (de tegenstander is dan “one down” enz.); bij gelijke stand zegt men dat het “all square” is. Bij matchplay hoeven niet noodzakelijk alle holes gespeeld te worden: als men meer holes voorsprong telt dan er overblijvende holes zijn, staat de winnaar vast en wordt de wedstrijd afgesloten.
  144. Mulligan – Officieuze regel waarbij je een foutieve slag overnieuw mag doen. Ongeschreven regel is wel dat als je dit al doet, dat je het maar een keer per wedstrijd doet.
  145. Neary – Prijs die je kan winnen bij sommige toernooien waarbij je degene bent die de bal vanaf de afslagplaats het dichtst bij de hole heeft geslagen. Op de green of er naast maakt niet uit.
  146. Obstakels – Kunstmatige constructies in de baan om het spel te bemoeilijken.
  147. Oefenswing – Wanneer je een bewegen maakt alsof je de bal slaat, zonder dat je de bal slaat. Meestal doe je dit in de baan een keer naast je bal.
  148. Onspeelbare bal – Een bal die je niet meer kunt slaan, bijvoorbeeld achter een boom. Alleen de speler zelf kan zijn bal onspeelbaar verklaren. Dat kost wel een strafslag.
  149. Opteeën – De golbal op de afslagplaats op een tee zetten zodat hij bij de slag vrij is van de grond door het gebruiken van een tee.
  150. Out of Bounds – Aanduiding voor een stuk grond dat geen onderdeel van de baan uitmaakt. De grenzen van dit gebied worden gemarkeerd met witte paaltjes. Indien een speler een bal Out of Bounds slaat dient hij een nieuwe bal te slaan van dezelfde plek en krijgt hij één strafslag.
  151. Par – Het getal dat aangeeft in hoeveel slagen een zeer goede speler een hole speelt. Er wordt ook wel gezegd: Par is een afkorting van “Professional Average Return”. Holes zijn vaak Par 3, 4 of 5.
  152. PGA – Professional Golfers’ Assocciation, de bond voor professionele golfers. In Nederland heet deze bond PGA Holland.
  153. PGA Tour – De Europese toernooiencyclus voor professionele golfers.
  154. Pin – De vlaggenstok die in de hole op de green staat.
  155. Pitch -een Korte hoge slag, gespeeld met een club met veel loft. Eigenlijk ook wel een grotere chip op een wat langere afstand. Je gebruikt hiervoor meestal een “P”.
  156. Pitchfork – Klein soort vorkje met twee punten om de pitchmark die je hebt achtergelaten na je slag mee te herstellen.
  157. Pitchmark – De deuk die een bal achterlaat op de green bij het neerkomen na een slag vanaf de baan.
  158. Pitch & Putt baan – Extreem korte golfbaan (holes van 30 tot 90 meter) waar slechts met twee clubs wordt gespeeld : de pitching wedge en de putter.
  159. Pitching niblick – De naam van vroeger uit voor een ijzer 8.
  160. Pitching wedge – De golfclub om een korte hoge bal te slaan.
  161. Plaatsen – Terugplaatsen, als de bal mag worden opgepakt (op de green of na een geplugde ligging of na een controle, dan moet de bal weer op dezelfde plaats worden teruggelegd.
  162. Play as it lies -De algemene regel: men moet de bal spelen zoals men hem aantreft.
  163. Play-off – Als een wedstrijd gelijk is geëindigd wil men vaak een beslissing hebben. Het spelen van die beslissing (vaak “sudden death”, soms zelfs 18 holes) heet een play-ff.
  164. Player – De naam die alleen gebruikt wordt voor professionele spelers en de top-amateurs.
  165. Playing long – Als de baan erg nat is en de bal daardoor vrijwel niet doorrolt, dan spreken we over “the course is playing long today”.
  166. Pro-Am – Een golftoernooi waarbij een professional meteen tot drie amateurs in een team speelt. Meestal wordt slechts de beste netto-score van het team geteld, soms worden de twee beste scores geteld.
  167. Provisionele bal – Bal die uit voorzorg geslagen wordt indien het onduidelijk is of de oorspronkelijk geslagen bal nog vindbaar is.
  168. Punch shot – Een laag schot om onder obstakels door te vliegen. De bedoeling is dat je de bal vlak raakt om zo uit het bos te slaan.
  169. Putt – De slag naar de hole die je maakt met een putter. Vaak op de green, maar soms ook erbuiten.
  170. Putter – Club die gebruikt wordt bij het putten van de bal op de green. We adviseren altijd een putter met een streepje op de bovenkant van het blad, dat helpt vaak bij het mikken.
  171. Qualifying – Geeft aan of het behaalde resultaat in een wedstrijd of toernooi de handicap van de deelnemer zal verhogen/verlagen.
  172. Rough – Hoger gras naast de Fairway.
  173. Ryder Cup – Tweejaarlijkse wedstrijdtussen de beste spelers van de USA en Europa. In 1927 werd de prijs ter beschikking gesteld door Samuel Ryder uit St.Albans, Herts, Engeland. Om en om wordt op een Amerikaanse en Europese baan gespeeld.
  174. Sand Wedge – Club met grote loft die vaak wordt gebruik om de bal uit een bunker te slaan, korte afstanden te slaan of te chippen.
  175. Scratch speler – Een speler met handicap 0.
  176. Shaft – De steel van de club. Vroeger van hout, daarna van staal. Moderne shafts worden gemaakt in verschillende “flex”, buigzaamheid, voor verschillende swingsnelheden.
  177. Shank – Het overgangsgebied tussen slagvlak en hosel. Als de bal daarmee geraakt wordt gaat de bal extreem naar rechts en blijft hij heel laag. Dit wil je ten alle tijden voorkomen.
  178. Slice – Wanneer je de bal, vaak per ongeluk, niet goed raakt waardoor je hem als het ware “sliced” waardoor de bal effect krijgt. Bij rechtshandigen gaat de bal dan vaak naar rechts, en andersom.
  179. Spiegelei – Wanneer je een bal zo diep in de bunker hebt geslagen dat je hem nog net vlak ziet. Dit lijkt dan op een spiegelei.
  180. Spotter- Door commissie aangewezen persoon die de spelers aangeeft waar de bal terecht is gekomen. Bij wedstrijden worden spotters weleens ingezet om de zoektijd te verkorten.
  181. Stableford – De telling en in spelvorm waarbij het resultaat van een hole alsmede de gehele ronde afhankelijk wordt gesteld van de handicap van de speler. Afhankelijk van zijn handicap krijgt de speler op tevoren vastgestelde holes een extra slag. De telling geschiedt per hole.
  182. Standing – De regels waarin wordt beschreven hoe de voorrang in de baan is geregeld.
  183. Stimp – De stimp van de green is een maat hoe snel de green is. De stimp wordt bepaald door de stimpmeter. Hoe hoger de stimp, hoe sneller de green. Stimps van 10 en hoger geven aan dat de green snel is. 12 is extreem snel, zoals tijdens de meeste professionele toernooien.
  184. Stroke-index – De moeilijkheidsgraad van een hole, genummerd van laag (moeilijk) naar hoog (makkelijk).
  185. Strokeplay – Iedere slag telt voor de score, incl. strafslag of airshot.
  186. Sudden death – Voortzetting van het spel nadat twee of meer spelers een winnende score hebben zodat bepaald kan worden wie de winnaar wordt.
  187. Tap-in – Het van dichtbij intikken van de bal in de hole.
  188. Tee -De startplaats van een hole. De tee steek je in de grond, en is een houten of plastic pinnetje waarop een bal geplaatst kan worden als hulpmiddel voor het afslaan van een bal vanaf de afslagplaats van de hole.
  189. Tegen par spelen – Een spelvorm, waarbij de speler tegen zichzelf matchplay speelt.
  190. Thin shot – Slag waarbij de speler de bal met zijn club boven de middenlijn raakt hetgeen meestal resulteert in een lage balvlucht.
  191. Tijdelijk water – Aanduiding voor water in de baan niet zijnde een expres aangelegde waterhindernis. Tijdelijk water is meestal het gevolg van overvloedige regenval. De speler wiens bal in tijdelijk water ligt mag de bal opnemen en droppen op het dichtstbijzijnde punt waar hij geen last meer heeft van dat tijdelijke water, maar niet dichter bij de hole.
  192. Tiensecondenregel – Als een bal op de rand van de hole ligt en “dreigt” te vallen, dan mag een speler maximaal 10 seconden wachten of die bal inderdaad nog valt. In alle andere gevallen moet hij/zij één slag bij de score optellen. (te missen is die bal natuurlijk niet).
  193. Topped – Slag waarbij de speler de bal op de bovenkant raakt.
  194. Trolley – Ook wel kar genoemd. Een 2/3/4 wielige duw- of trekkar(retje) waar de golftas op wordt gezet. De speler blijft lopen, anders heet het een “buggy”.
  195. The yips – Term die gebruikt wordt wanneer de speler – als gevolg van de angst om te missen – moeite heeft om de bal in de hole te putten. De yips worden gekenmerkt door een trillend gevoel in de handen wanneer de bal geput moet worden.
  196. Uphill lie – De speler staat op een helling en de bal ligt hoger dan zijn voeten.
  197. Wedge – Een golfclub met veel loft (48 graden of meer), gebruikt voor korte tot zeer korte slagen.
  198. Wildcard – Recht op deelname aan een toernooi of wedstrijd voor een – in eerste instantie – niet-geplaatste speler.
  199. Wintergreen – De normale green (ook wel zomergreen genoemd) wordt vaak gespaard in de winterperiode. Er wordt dan gespeeld op een (tijdelijke) wintergreen, vaak niet meer dan een wat korter gemaaid stukje fairway.
  200. X-out – Ballen met een schoonheidsfoutje waardoor ze niet aan de bedoelde kwaliteitseisen voldoen.